- Home
- Onderzoeken
- Media framing en de attitudevorming over het gebruik van tabak, alcohol en softdrugs bij jongeren
Media framing en de attitudevorming over het gebruik van tabak, alcohol en softdrugs bij jongeren
Dit project heeft tot doel de relatie te onderzoeken tussen de framing van roken, alcohol en softdrugs in populaire tv-series en de vorming van een attitude over deze genotmiddelen bij Vlaamse jongeren tussen 12 en 18 jaar.
De aandacht van dit onderzoek gaat uit naar de manier waarop de beeldvorming over roken, alcohol en softdrugs bij jongeren tot stand komt, en welke rol populaire televisieseries hierin spelen. Het is de bedoeling na te gaan hoe televisie – die een centrale rol speelt in de leefwereld van jongeren – het beeld en de attitude over roken, alcohol en tabak mee vormt en beïnvloedt.
Op wetenschappelijk vlak wil het project een brug slaan tussen enerzijds media framing, dat vooral bij onderzoek van nieuwsverslaggeving wordt toegepast, en anderzijds de theorieën rond beeldvorming, representatie en stereotypering, die meer verband houden met audiovisuele fictie.
In het theoretisch kader van deze studie wordt het concept media framing gerelateerd aan de theorieën over beeldvorming, representatie en stereotypering.
De eerste stap in het empirisch luik van dit onderzoek bestaat uit een inhoudsanalyse van populaire tv-series waarin roken, alcohol of softdrugs voorkomen. Door middel van deze inhoudsanalyse worden frames opgesteld. Vervolgens is het de bedoeling om via een experiment inzicht te krijgen in het beeldvormingsproces via media. Daarbij zullen proefpersonen blootgesteld worden aan een aflevering van een televisieserie (met of zonder verwijzing naar roken, alcohol of softdrugs), waarna een schriftelijke bevraging met open vragen, een attitudemeting via Likert-schalen en enkele socio-demografische meerkeuzevragen zullen volgen.
Recente binnen- en buitenlandse tv-series en soaps die populair zijn bij jongeren, worden geanalyseerd. Op basis van het beeldarchief van de tv-zenders zullen concrete afleveringen van de series geselecteerd worden. Op basis van inductie zullen de framing devices geïnventariseerd worden die kenmerkend zijn voor de verschillende frames. Vervolgens zal via deductie nagegaan worden in welke mate de frames voorkomen in het verzamelde beeldmateriaal.
Voor het experiment zullen onderwijsinstellingen van het ASO, TSO en BSO gecontacteerd worden. In een zo huiselijk mogelijke sfeer zullen de proefpersonen – in kleine groepjes en volgens leeftijd opgedeeld – naar representatief beeldmateriaal kunnen kijken. Achteraf volgt een schriftelijke bevraging met open vragen die toegespitst zijn op een van de drie genotmiddelen. Daarnaast vindt een attitudemeting plaats via Likert-schalen met een evaluatief karakter en volgen er nog enkele meerkeuzevragen in verband met de socio-demografische achtergrond van de jongere. De resultaten van de proefpersonen die werden blootgesteld aan stimulusmateriaal zullen vergeleken worden met die van de controlegroep.
Universiteit Antwerpen, Departement Communicatiewetenschappen
- Nele Simons
-
-
nele.simons@uantwerpen.be
-
03 265 56 77