Drugpreventie in jeugdhulpvoorzieningen: jongeren aan het woord
Jongeren in de jeugdhulp zijn een kwetsbare groep om door middelengebruik in de problemen te komen. Dat blijkt uit de praktijk en de cijfers bevestigen dat ook. Maar hoe kijken jongeren hier zelf naar? Hoe moet drugpreventie volgens hen worden aangepakt om tegemoet te komen aan hun noden? We gingen in gesprek met vijf jongeren met een verleden in de residentiële jeugdhulp.

Deze jongeren – tussen 19 en 28 jaar oud – verbleven in private voorzieningen voor bijzondere jeugdzorg, in gemeenschapsinstellingen en in de kinder- en jeugdpsychiatrie. Vzw Cachet bracht deze groep voor ons samen. Het werd een open en genuanceerd gesprek waarin de jongeren op basis van hun ervaring doordachte ideeën deelden over wat zinvolle drugpreventie is. Heel wat van hun ideeën onderschrijven de adviezen uit de leidraad Verslavingspreventie voor jeugdhulpverleners: tips voor een doeltreffende aanpak.
Jongeren missen een structureel preventieaanbod rond alcohol en drugs
De jongeren gaven aan dat alcohol- en drugpreventie tijdens hun verblijf in de jeugdhulp heel weinig aan bod kwam, en al helemaal niet op een volgehouden manier. Ze verwezen naar losse initiatieven als Rots en water-weerbaarheidstraining, thema-avonden met de politie (soms naar aanleiding van een politie-interventie in de voorziening), een thema-avond over opgroeien met ouders of voogden met middelenproblemen, deelname aan een KOPP-groep (een groep voor Kinderen van Ouders met Psychische Problemen) en brochures. Wie een specifiek drugtraject volgde, kwam er meer mee in aanraking.
“Die boekjes van de Druglijn, die liggen er, maar het is niet dat je die meekrijgt in het begin van je traject in de jeugdzorg. Ze geven daar niet echt uitleg bij. En bellen (n.v.d.r. naar de Druglijn), dat is zo’n grote stap, dat is helemaal niet toegankelijk. Zeker in een instelling waar je gsm wordt afgepakt als je een joint hebt gerookt.”
“Het dichtste wat daarbij (n.v.d.r. preventie-initiatieven) in de buurt kwam, was de straf die je krijgt als je het toch doet. Dat is wat ik te horen kreeg: niet doen, want dan dit of dan dat.”
Tijdens het gesprek bleek dat dit gebrek aan aandacht voor preventie vragen opriep bij de jongeren: “Ik kijk daar nu op terug, nu we erover bezig zijn en ik denk van: waarom hebben wij er eigenlijk niets van geleerd?”
Openheid werkt beter dan bestraffing

De jongeren pleiten in de eerste plaats voor een klimaat in de voorziening waarin alcohol- en druggebruik bespreekbaar zijn en waar gebruik meer wordt gezien als normaal experimenteergedrag van pubers. Volgens hen is het belangrijk om onderscheid te maken tussen experimenteergedrag, dat bij veel jongeren voorkomt, en problematisch middelengebruik dat extra aandacht vraagt.
In veel voorzieningen wordt snel gereageerd met sancties. Daardoor gaan jongeren minder gemakkelijk vragen stellen of hun ervaringen delen. Jongeren die al problemen hebben met middelengebruik, zijn bovendien niet gebaat met een straf, maar hebben vooral nood aan ondersteuning (een traject of begeleiding).
“Ik denk ook dat als daar niet per se een sanctie aan ging hangen, dat ik misschien eerder was gaan praten of vragen had durven stellen.”
“Als ik niet meteen straf zou krijgen, zou ik meer vragen stellen. Dan had ik mij beter kunnen informeren voordat ik zo een keuzes maakte. Nu heb ik al mijn informatie gewoon ondervonden.”
Een sterk sanctionerende aanpak kan er bovendien voor zorgen dat jongeren zich gestigmatiseerd voelen. Ook dat maakt het moeilijker om over het onderwerp te praten.
“Ja, het lijkt al verloren. Als mensen u behandelen als een alcoholieker die op straat gaat eindigen, what’s the point dan nog?”
“En als je op die leeftijd bent, ben je ook je persoonlijkheid en identiteit aan het vinden. Als er dan constant tegen je wordt gezegd dat je een drugskind bent, dan ga je je daar ook mee identificeren.”
Tegelijk waarschuwen de jongeren voor het andere uiterste. Een aanpak zonder grenzen of afspraken zorgt niet altijd voor een veilige leefomgeving. Een van de jongeren vertelde zich onveilig te hebben gevoeld door het aanwezige middelengebruik in de voorziening.
“Ik voelde mij echt onveilig omdat er mensen drugs in huis haalden en dan ging ik daarmee naar de begeleiding en dan is dat van ja, dat zijn uw zaken niet.”
“Er waren niet echt sancties en ik denk dat dat misschien wel had kunnen helpen, of als er al iets van educatie was geweest.”
De jongeren geven aan dat straffen niet alleen contraproductief zijn op vlak van openheid en bespreekbaarheid, maar ook niet het gewenste effect opleveren.
“Je wil geen straf, maar dan ga je gewoon creatiever zijn om dat te omzeilen ofzo. Als het dan toch lukte, was het nog interessanter of cooler of zo.”

Het thema drugs zou eveneens meer bespreekbaar zijn als jongeren weten dat wat ze zeggen of vragen niet onmiddellijk in hun dossier komt. Ze geven aan nood te hebben aan een vertrouwenspersoon om mee te praten, zonder dat dit consequenties heeft.
“Als je dat tegen uw begeleiding gaat zeggen dan komt dat in je dossier en dan is dat zo deel van uw traject of dan word je daarvoor op matje geroepen. Of dan zeggen ze van ‘ah ja, dat is verontrustend’. Je zou naar iemand moeten kunnen gaan en weten dat er geen gevolgen komen, dat je wel gewoon een goed antwoord krijgt of raad of dat je even kan zeggen ‘ik heb dit gedaan en ik voel mij nu al drie weken slecht’.”
“Maar als er ruimte was om u op te vangen als ge viel, zodat je zou kunnen leren. Om daar uw eigen weg in te vinden en zo uw eigen weerbaarheid in te vinden. Dat zou keiveel doen. Ik denk dat je ook veel sneller zou iets hebben van awel, dit weekend hoeft dat niet voor mij.”
Tot slot wezen de jongeren ook op de context waarin begeleiders werken. Door grote groepen en personeelstekorten is er volgens hen vaak te weinig tijd voor individuele gesprekken. Sommigen ervaarden de begeleiding als afstandelijk of onvoldoende beschikbaar. Tegelijk tonen ze begrip voor de moeilijke evenwichtsoefening die begeleiders dagelijks maken tussen nabijheid en professionele afstand.
Kijk verder dan het middelengebruik: wat zit erachter?
Net als in het onderzoek geven de jongeren aan dat gebruik vaak samenhangt met de zoektocht naar zich goed voelen. Veel in de jeugdhulp missen een houvast en zoeken daarom hun heil in middelengebruik. Middelengebruik zorgt ervoor dat je even kan kiezen wanneer je gelukkig bent, dat je even kan kiezen hoe je je voelt.
“Er is zo geen onvoorwaardelijkheid, behalve de drugs, dat geeft je dat wel. Onvoorwaardelijk gaat dat je een beter gevoel geven.”
Volgens de jongeren volstaat het niet om alleen te waarschuwen voor de risico’s van alcohol en drugs. Het is minstens even belangrijk om samen met jongeren op zoek te gaan naar andere manieren om tegemoet te komen aan de behoeften die achter het gebruik schuilgaan. Volgens hen moet preventie ook een alternatief bieden voor die houvast die ze anders in drugs gaan zoeken. Jongeren hebben nood aan steun, verbondenheid, perspectief en het gevoel ergens bij te horen. Zonder aandacht voor die onderliggende noden zal alcohol- en drugpreventie maar een beperkt effect hebben.
“Zolang ze geen vervanging gaan fixen of een positieve manier om die houvast te geven gaat het gebruik van drugs nooit opgelost geraken. Dus ik denk: heel veel preventie of heel veel meer gaan tonen ‘dit zijn de gevolgen’ gaat volgens mij niet echt helpen als je niet aan dat aspect werkt.”
De jongeren zien daarbij twee belangrijke aanknopingspunten: ondersteuning bij het leren omgaan met negatieve emoties en het aanbieden van zinvolle vrijetijdsbesteding waarin jongeren zich kunnen ontplooien en verbonden voelen met anderen.
Het belang van leren omgaan met negatieve emoties

Volgens de jongeren moet alcohol- en drugpreventie inzetten op leren omgaan met negatieve emoties en emotieregulatie. Elke puber krijgt te maken met een wirwar aan emoties. Voor jongeren in een jeugdhulpvoorziening geldt dat eens te meer vanwege de moeilijke gezinssituatie, trauma, enz. Als drugs rust brengen in je hoofd, waarom zou je die dan niet gebruiken?
“Tuurlijk ga je ontsnappen in drugs en alcohol en tuurlijk ga je zoals elke puber eens experimenteren en denken van ‘dit is zoveel beter dan nuchter zijn’.”
“Heel veel jongeren in instellingen krijgen medicatie, maar dat pakt een deel weg van de emotieregulatie die je normaal zelf doet. Wat je zelf zou moeten reguleren, wordt een beetje voor jou gedaan, waardoor je heel numb bent. Dan ga je ook sneller op zoek naar voelen en ontsnappen in drugs. Ik denk dat als er meer tools zouden worden aangeboden aan jongeren om met emoties om te gaan en je jezelf leert bieden wat drugs je geven, dat je ook minder nood zou hebben aan dat ontsnappen.”
De jongeren ervaren daarnaast grote verschillen tussen voorzieningen. In kleinere, thuisvervangende settings is er volgens hen vaak meer ruimte voor individuele begeleiding en emotionele ondersteuning. In grotere instellingen met veel jongeren ervaren sommigen dat er minder ruimte is voor emoties, zo moet je om af te koelen naar een prikkelarme ruimte. Wanneer er onvoldoende ruimte is om gevoelens te uiten of te verwerken, gaan jongeren zelf op zoek naar manieren om daarmee om te gaan, bijvoorbeeld via alcohol- of druggebruik.
Personeelsgebrek speelt jammer genoeg ook een rol in de mogelijkheden van begeleiders om met jongeren te werken aan emotieregulatie.
“Vaak was de leefgroep zo groot dat de twee opvoeders geen tijd hadden om diep in de emotionaliteit te gaan of om je even bij de hand te pakken en te zeggen van kijk, iedere keer als je een joint wil of iedere keer als je een pint wil drinken, kom er een babbeltje over doen. Maar dat gaat niet, je weet dat er een tekort aan personeel is.”
Vrije tijd als beschermende factor

Voor de jongeren is het belangrijk dat er naast de voorziening, school en thuis ook andere plekken zijn waar ze op een leuke en zinvolle manier bezig kunnen zijn, waar ze vrienden kunnen maken en deel uitmaken van een groep. Dit zorgt voor persoonlijke groei en een gevoel van verbondenheid. Dat zijn belangrijke beschermende factoren tegen problematisch middelengebruik.
Voor jongeren in de jeugdhulp is deelname aan hobby’s of vrijetijdsactiviteiten echter niet vanzelfsprekend. Verhuizingen tussen voorzieningen maken het moeilijk om continuïteit op te bouwen en hobby’s zijn vaak duur.
“En als je daarop (n.v.d.r.: leuke vrijetijdsbesteding) zou kunnen inzetten, dat daar meer ruimte voor is in de voorziening of dat er gewoon al geld is om u naar een academie te sturen of naar een muziekschool of… want dat is er vaak niet. Dat dat ook fijn is, dat je een context creëert waarbij je jezelf kunt laten groeien en uiten en dat je ook gewoon een omgeving hebt die niet de instelling of school of thuis is. Dat er een context is waarin drugs of alcohol of whatever, dat dat zo niet de main is.”
“Stel, je zit van uw 5 tot uw 15 in een instelling, bijna niemand heeft in dezelfde instellingen gezeten. Dat is echt een minderheid. Je gaat altijd van hier naar daar. En stel je hebt ruimte om naar de tekenschool te gaan of naar whatever dat je doet, en je gaat naar een andere instelling en die hebben daar geen geld meer voor… ja, dan heb je pech. Dat is helemaal niet voor iedereen. En ook, sommige hobby’s zijn te duur.”
“Dan moet je kiezen tussen dansen, voetbal en… whatever. En als dat niet uw dada is? Ja, dat is jammer. Dan mocht je op woensdagnamiddag gewoon thuis zitten, in de groep, of ja, jointjes roken in een park, of zo.”
In hun zoektocht naar een netwerk en verbondenheid, komen sommige jongeren terecht in criminele milieus Heel wat van deze jongeren gebruiken niet eens zelf, maar vinden er iets wat ze elders niet vinden: geld, een netwerk, bescherming, iemand die er voor hen is of tenminste lijkt te zijn. Voor dat criminele milieu zijn ze ook een makkelijke prooi.
“Ge moet u voorstellen: jongeren die op de instelling zitten die zien al geen uitweg meer, want ze hebben geen kansen, ze hebben geen diploma’s, ze hebben niks. Dus de enige die hun iets gaat aanbieden om snel geld te verdienen, zijn die verkopers. En die bieden ook gewoon wat de instelling niet kan bieden, bescherming, tijd voor u, het financiële … je hebt een netwerk.”
Kinderen van ouders met een verslavingsprobleem verdienen specifieke aandacht
Kinderen van ouders met een verslavingsprobleem verdienen specifieke aandacht, steeds afgestemd op hun leeftijd, situatie en noden. De jongeren benadrukken het belang van eerlijke en aangepaste informatie, én van ruimte om te praten over wat deze informatie met hen doet. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren welke impact de situatie op het kind zelf heeft. Begrip vragen voor de problemen van ouders is niet vanzelfsprekend wanneer een kind er zelf de gevolgen van draagt.
Het is ook belangrijk om met kinderen te praten over een mogelijke verslavingsgevoeligheid. Kennis hierover kan hen helpen om bewustere keuzes te maken en eventuele risico’s beter in te schatten.
“Maar misschien, als ik te horen had gekregen over een verslavingsgevoeligheid dat dat ook op tijd in mijn hoofd had gespookt. Tegen dat ik daarachter kwam was ik al verslaafd. Dus ja, je moet weten dat dat gewoon een ding is, dat het ook genetisch is en dat ik harder moet oppassen dan mijn vrienden, ook al gebruiken wij hetzelfde of zijn wij in dezelfde fase. Misschien als ik dat had geweten, dat ik wel anders… maar ik heb daar nooit van gehoord.”
In de hulpverlening aan gezinnen waar drugproblemen zijn zouden jongeren en hun ouders samen moeten kunnen geholpen worden in plaats van jongeren weg te halen uit hun gezin. Dat kan jongeren een schuldgevoel geven en het gevoel geven dat ze hun ouders moeten helpen. Het is beter om de trajecten van jongeren en hun ouders niet uit elkaar te halen.
Een aanpak op maat van de jongere
Elke jongere is anders. Wat voor de ene werkt, werkt daarom niet automatisch voor de andere. De jongeren benadrukken dan ook het belang van een aanpak op maat.
“Niet iedereen werkt hetzelfde. Praten, dat gaat voor sommige jongeren nooit de oplossing zijn. Al zijt ge de meest open, lieve, transparante persoon, voor sommige jongeren werkt dat niet en zijn er gewoon andere manieren nodig om met uw gevoelens te leren omgaan en om dingen een plek te geven of om te copen met dingen. En ik denk dat dat de taak is van de voorzieningen om te zien van wat heeft mijn jongere nodig en daar dan op in te spelen.”
“Dat werkt niet bij iedereen, dat praten en ook niet iedereen is een kunstenaar hè, maar ik denk dat voor heel veel jongeren het een goede uitlaatklep is om te tekenen, schrijven, zingen, dansen.”
“Ik denk dat er zoveel manieren zijn dat je dat (n.v.d.r.: alcohol- en drugpreventie) aantrekkelijker kunt maken voor jongeren om daarin te leren. Het is niet per se aangepast aan uw leeftijd. Als jongere heb je ook niet zoiets van oké, nu ga ik werken aan mezelf, dat wordt zo niet aangepast aan waar dat je noden liggen of wat je leuk vindt.”
Tot slot
We danken de vijf mensen die deelnamen aan het gesprek en vzw Cachet die deze groep voor ons samenbracht. Het gesprek leverde waardevolle inzichten op die we meenemen in de verdere uitbouw en implementatie van een alcohol- en drugpreventieaanbod voor de jeugdhulp.