Skip to main content
  • Home
  • Artikels
  • Vroeginterventie bij middelengebruik in Vlaanderen heeft nood aan sterk beleid en actie

Vroeginterventie bij middelengebruik in Vlaanderen heeft nood aan sterk beleid en actie

Vroeginterventie bij middelengebruik biedt de kans om problemen al in een vroeg stadium aan te pakken, nog voordat ze escaleren of leiden tot een uitgesproken hulpvraag. Toch staat dit belangrijke aanbod onder druk: versnipperde financiering, regionale verschillen en complexere casussen maken het werk van vroeginterventiewerkers steeds uitdagender. VAD onderzocht de situatie in Vlaanderen en formuleerde samen met het werkveld negen aanbevelingen om vroeginterventie sterker te verankeren in het preventie- en zorglandschap.

Vroeginterventiewerkers brengen noden en uitdagingen in kaart

Vroeginterventie bij middelengebruik is een waardevolle methodiek binnen het preventie- en hulpverleningslandschap. Dankzij vroeginterventie kunnen we personen met riskant of problematisch middelengebruik in een vroeg stadium bereiken, nog vóór er sprake is van ernstige schade of een uitgesproken zorgvraag. De afgelopen jaren kreeg VAD via diverse partnerorganisaties signalen dat die aanpak steeds moeilijker wordt volgehouden. Daarom hebben we vroeginterventiewerkers uit heel Vlaanderen geïnterviewd. Hun inzichten geven een helder beeld van de uitdagingen én de noden in het veld. Op basis daarvan formuleerde VAD negen aanbevelingen om vroeginterventie sterker te verankeren.

Materiaal
Vroeginterventie bij middelengebruik onder druk: een analyse met aanbevelingen

Vroeginterventie zoekt haar plaats tussen preventie en zorg

Vroeginterventie bevindt zich op het snijvlak van preventie en zorg. Zowel het preventie- als het geestelijke gezondheidszorgbeleid erkennen het belang ervan, maar doen dat elk vanuit een eigen logica en regelgeving. In de geestelijke gezondheidszorg heeft vroeginterventie een duidelijke plek, maar binnen het preventiewerk is de opdracht minder scherp omschreven. Dat zorgt voor versnippering in visie en aanpak. De geplande hervormingen in het Vlaams geestelijke gezondheidsaanbod en het Vlaams preventielandschap bieden opportuniteiten om de positie van vroeginterventie te verduidelijken en versterken.

Een lappendeken aan financiering

De financiering van vroeginterventie is verspreid over verschillende beleidsniveaus en financieringskanalen — lokaal, Vlaams en federaal. Elk financieringskanaal hanteert eigen voorwaarden, rapportagevereisten en administratieve procedures, wat leidt tot een lappendeken aan praktijken. Daardoor moeten organisaties vaak puzzelen met verschillende financieringsbronnen om hun werking overeind te houden. Dat terwijl de vroeginterventiewerking op veel plekken wordt georganiseerd met beperkte middelen. Er zijn regio’s waar één of twee medewerkers een uitgestrekt gebied van tientallen gemeenten moeten bedienen, of waar de anciënniteit van medewerkers niet voorzien is in het personeelsbudget.

Regionale verschillen in het aanbod

De manier waarop vroeginterventie vandaag wordt ingevuld, verschilt sterk van regio tot regio. Dat heeft te maken met uiteenlopende factoren, zoals de beschikbare middelen, regionale samenwerkingsafspraken en de beschikbaarheid van personeel. Doordat die variëren, ontstaan er verschillen tussen regio’s, zowel in de invulling van het aanbod als in de doelgroep waarop men zich richt. Wanneer teams onderbemand zijn, moeten noodgedwongen prioriteiten worden gesteld, waardoor die regionale verschillen nog verder toenemen.

Toenemende druk op de praktijk

© Unsplash. Vroeginterventiewerkers worden steeds vaker geconfronteerd met situaties die eigenlijk meer intensieve begeleiding vragen.

Vroeginterventiewerkers geven aan dat hun werking vandaag steeds meer onder druk staat. Ze worden geconfronteerd met uiteenlopende uitdagingen die hun kortdurende werkingskader vaak overstijgen:

  • Meer complexe aanmeldingen:  Vroeginterventiewerkers beschrijven situaties met jongeren met trauma’s, co-morbiditeit met andere psychische problemen of jongeren die al lang niet meer naar school gaan. Daardoor worden vroeginterventiewerkers vaker geconfronteerd met situaties die eigenlijk meer intensieve begeleiding vragen. Tegelijk blijven de wachttijden in de gespecialiseerde hulpverlening oplopen.
  • Moeilijke toeleiding in sommige regio’s: in bepaalde regio’s daalt de instroom naar het vroeginterventieaanbod. De toeleiding verloopt moeizaam omdat doorverwijzers moeilijk de weg vinden, de risico’s van gebruik soms worden onderschat of er overlap is met het takenpakket van andere functies, zoals eerstelijnspsychologen.
  • Gebrek aan ondersteuning voor intergemeentelijke preventiewerkers: vooral intergemeentelijke preventiewerkers die vroeginterventie opnemen zonder inbedding in een gespecialiseerd zorgteam, vragen meer ondersteuning. Ze missen kansen voor intervisie en inhoudelijke ondersteuning. Bovendien ontbreken vaak veilige, GDPR-conforme systemen om cliëntgegevens bij te houden of duidelijke protocollen voor crisissituaties.

Negen voorstellen voor een duurzaam beleidskader

De omgevingsanalyse toont dat vroeginterventie bij middelengebruik onder toenemende druk staat. Tegelijk wordt de meerwaarde van dit aanbod door alle actoren benadrukt. Om vroeginterventie haar volwaardige plek te geven binnen het preventie- en hulpverleningslandschap pleit VAD daarom voor negen concrete aanbevelingen die het beleidskader voor vroeginterventie versterken.

  1. Maak werk van een structurele erkenning van vroeginterventie als specifieke schakel tussen preventie en zorg.
  2. Omschrijf duidelijk de rol en opdracht van vroeginterventie op zowel Vlaams als lokaal niveau.
  3. Benoem een ondersteunende organisatie die het vroeginterventiewerk methodisch en inhoudelijk verankert.
  4. Veranker alcohol- en drugexpertise in het generalistische vroeginterventieaanbod. Omdat er rond middelengebruik nog veel stigma bestaat, is generalistische vroeginterventie vaak de meest laagdrempelige eerste stap voor de omgeving of voor professionals in de eerste lijn. Toch voelen veel hulpverleners zich nog onzeker om met dit thema aan de slag te gaan, waardoor mensen met middelenproblemen soms uit de boot vallen.
  5. Geef VAD de opdracht om de thematische expertise rond alcohol- en drugs binnen de methode vroeginterventie te ondersteunen en garanderen.
  6. Voorzie structurele financiering voor vroeginterventie bij volwassenen, naast het bestaande aanbod dat zich hoofdzakelijk naar jongeren richt.
  7. Zorg dat CGG-preventiewerk TAD de eerstelijnsprofessionals kan blijven ondersteunen bij het vroegtijdig herkennen van middelenproblemen
  8. Garandeer en ondersteun de vroeginterventieopdracht van intergemeentelijke preventiewerkers, aangezien zijn een fysiek nabije opstap zijn naar hulpverlening.
  9. Ondersteun de omgeving (ouders, partners, naasten) als essentiële factor in motivatie en herstel.

Waarom gespecialiseerde vroeginterventie onmisbaar is

Middelengebruik vraagt om specifieke expertise en methodiek. De doelgroep verschilt duidelijk van mensen met andere klachten, zoals angst- of stemmingsproblemen: vaak ontbreekt motivatie of is er geen uitgesproken hulpvraag. Soms komt de aanmelding zelfs van politie, justitie of jeugdhulp. In zulke gevallen vormt het middelengebruik vaak het eerste en belangrijkste aanknopingspunt om in gesprek te gaan.

Een gespecialiseerd vroeginterventieaanbod maakt het mogelijk goed aan te sluiten bij deze realiteit. Het verlaagt drempels, voorkomt dat problemen escaleren en vormt zo een cruciale brug tussen preventie, eerstelijnszorg en intensievere hulpverlening.

Lees onze analyse en de negen voorstellen